ø

ABSTRACTE AARDE

Abstracte Aarde is een project over ecologische crisis, materiële en maatschappelijke verhoudingen. Over dit project

Dit project heeft tot doel verbindingen te leggen tussen klimaatbeweging en materialistische sociale kritiek, door het vertalen van hele artikelen, interviews of korte uitsnedes daaruit.

Heb je vertaalsuggesties of wil je bijdragen met vertaalwerk, mail dan naar: bijdragen [at] abstracteaarde.nl.

Geschift werk: niemand zou voor zijn onderhoud de planeet moeten hoeven verwoesten

Bue Rübner Hansen

Op welke manier dragen werkers bij aan een klimaat- en ecologische crisis die ook hen raakt? Hoe kan een transformatie van werk tegelijk de maatschappij en de leefwereld ten goede komen?

Lange tijd hebben we onze blik op klimaatverandering vooral laten bepalen door twee gezichtspunten: dat van de consument en dat van de kiezer. We hebben ons als vleeseters en als luchtvaartpassagiers voor klimaatverandering verantwoordelijk laten voelen, en we werden aangespoord om op de partij met het groenste programma te stemmen, maar nooit werden we benaderd als werkende mensen. Zo heel opmerkelijk is dat niet, want het sluit aan bij het algemene idee dat consumenten en kiezers beschikken over invloed en verantwoordelijkheid, terwijl werkers... tja, die moeten gewoon hun werk doen.

Maar in dit patroon lijkt nu verandering te komen. Allereerst hebben we kunnen zien hoe een toekomstige generatie werkers op scholen stakingsacties organiseerden en vervolgens ook volwassenen opriepen mee te doen aan een mondiale klimaatstaking. De belofte van een wereld van duurzame banen zorgt dat wereldwijd het idee van een Green New Deal in opmars is, en een recent rapport legt uit dat een koolstofneutrale economie een massale verkorting van de werkweek zou vergen. Maar tegelijkertijd is er in de klimaatdiscussie toch vaak weinig aandacht voor de soorten werk die de planeet ernstige schade toebrengen: werk op grote verscheidenheid van locaties plaatsvindt; in de teerzanden en kolenmijnen, in het landschap van de industriële landbouw, maar ook in de wolkenkrabbers en luchthavens van de stad, of op vracht- en cruiseschepen. Soms lees je iets over mijnwerkers die protesteren tegen het sluiten van een kolenmijn, vakbonden die subsidies willen voor de staal- en auto-industrie, maar bijna nooit over mannen op Wall Street die olieaandelen aanprijzen, ingenieurs die nieuwe pijpleidingen ontwerpen, reclamemakers die massaconsumptie van aantrekkelijke plaatjes voorzien of wetenschappers die lesgeven aan de nieuwe generatie petroleumgeologen. Sommige werkers kunnen met redelijk gemak een andere baan zoeken, terwijl anderen ernstig afhankelijk zijn van hun eerstvolgende loon. Al die werkers hebben belang bij een bewoonbare leefomgeving, maar ze zitten klem in een gekmakende tegenstelling, met werkgevers die hen, in ruil voor een inkomen, vragen om de bestaansvoorwaarden van het leven zelf te verwoesten. We zijn eraan gewend om dit als een normaal of zelfs rationeel gegeven te zien, maar het wordt tijd dat we openlijk durven stellen dat dit in feite waanzin is, en dat als ons nieuwe uitgangspunt nemen. Niemand heeft het recht om zulk werk te doen, en ook zou niemand het moeten hóeven doen.

Hoop op technologische oplossingen of adequaat overheidsbeleid ten spijt, zouden we wel gek zijn om er op te rekenen dat het genoeg zal zijn, en als het überhaupt al gebeurt, dat het op tijd komt. De klok tikt door; de klimaatnoodtoestand en het uitsterven van (dier)soorten zijn processen die beide nu aan de gang zijn en niet stilstaan, en alle door ingenieurs en technocraten bedachte oplossingen zijn vooralsnog niet bij machte geweest het aftellen te stoppen. Ook de alom aangekondigde groene groei blijft toekomstmuziek. In deze urgente situatie is kortom de vraag gerechtvaardigd: hoe kunnen mensen die binnen en buiten deze destructieve bedrijfstakken werken, een gedeeld belang ontwikkelen voor het afschaffen van werk dat de planeet verwoest?

Van bullshitbanen naar geschift werk

Een paar jaar geleden werd door antropoloog David Graeber de term bullshit jobs gemunt, bullshitbanen, om het te kunnen hebben over werk dat door werkers zelf gekenmerkt wordt als zinloos, betekenisloos of in maatschappelijk opzicht schadelijk. Voorbeelden hiervan zijn laagbetaald werk in de dienstenindustrie, onderdeel uitmaken van de papiermolens van grote bedrijven of eindeloos gestapelde lagen PR- en HR-personeel die zichzelf en anderen met uit de duim gezogen missies opzadelen. Graeber laat zien dat bullshitbanen psychologische stress opleveren, omdat degenen die ze uitoefenen vinden dat ze hun tijd en inzet aan het verdoen zijn, maar ze voor hun levensonderhoud diezelfde baan wel nodig hebben. Ook al zijn bullshitbanen dus vervelend en deprimerend, zijn ze niet per se krankzinnig of geschift. In tegenstelling daartoe, is werk dat direct bijdraagt aan het verwoesten van het klimaat en de leefomgeving dat wel degelijk. Dat soort werk kunnen we dus aanduiden als geschift werk, of met de Amerikaanse slanguitdrukking voor waanzin, als batshit jobs: geschifte banen. Dat we dit werk waanzinnig noemen, wil niet zeggen dat degenen die het doen ook gek zijn omdat ze hun levensonderhoud zeker willen stellen, maar eerder dat er een geschifte tegenstelling bestaat waarbij het verdienen van een inkomen ook deel uitmaakt van het tenietdoen van het leven op meerdere overlappende schaalniveaus: zelf ziek worden van giftige stoffen, de lokale leefomgeving schaden, en het ontwrichten van het klimaat op mondiale schaal. Het is eerder te omschrijven als een systemische waanzin, een gespannen tegenstelling die zich niet alleen tussen kapitaal en arbeid voordoet, maar ook binnen arbeid als zodanig. Het merendeel van de bedrijven en consumenten levert een bijdrage aan de systeemdiscipline in de economie: ook al is de voortzetting ervan feitelijk gesproken waanzinnig , lijkt het voor consumenten en bedrijven (wiens belangen zo gestructureerd zijn om goedkope goederen en zakelijke kansen na te jagen) niet minder waanzinnig om er van af te zien. Dat gegeven legt een belangrijk verschil bloot tussen geschift werk en bullshitbanen. Terwijl bullshitbanen slechts weinig aan waarde voortbrengen, zijn geschifte banen noodzakelijk voor de productie van het merendeel van de waren die we op dagelijkse basis verbruiken, en daarnaast voor het kapitalisme zelf, wat de afschaffing ervan tot een veel radicaler, complexer voorstel maakt.

Terwijl bullshitbanen slechts weinig aan waarde voortbrengen, zijn geschifte banen onmisbaar voor de productie van het merendeel van de waren die we op dagelijkse basis verbruiken, en daarnaast voor het kapitalisme zelf, wat de afschaffing ervan tot een veel radicaler, complexer voorstel maakt.

Een reden waarom Graeber’s aanpak wel nuttig blijft voor het nadenken over geschifte banen, is dat het dient als een provocatieve uitnodiging aan werkers, om het werk dat ze doen opnieuw te evalueren - Graeber heeft zijn boek over bullshitbanen immers opgebouwd rond de eigen getuigenissen van werkers. In plaats van een extern oordeel te vellen over een specifiek soort werk, dient het concept “bullshitbanen” als uitnodiging om na te denken over de tegenstelling die dat soort werk concreet belichaamt. Het spreekt daarmee de twijfels aan die mensen mogelijk zelf al hebben - is wat ik doe eigenlijk zinvol? - en het nodigt ze uit om zich een toekomst voor te stellen zonder betekenisloos werk, en na te denken hoe een strijd daarvoor er praktisch uit kan zien. Deze benadering is gebaseerd op het besef dat de relatie die werkers tot hun werk hebben bijna altijd ambivalent is, en dat de constructie van belangen altijd gebeurt op basis van meer dan enkel puur economische factoren. Op zijn beurt wordt geschift werk altijd al gekenmerkt door een andersoortige ambivalentie: de diepe betekenis die het heeft om voor je eigen onderhoud en dat van je gezin te werken, terwijl je schade toebrengt aan de natuurlijke omgeving of je eigen lichamelijke gezondheid. Zoals Nic Smith, naar eigen zeggen een “hillbilly uit Coal Country”, een keer tegen een journalist zei:

Er heerst een bepaalde misvatting, vooral bij jullie in de liberale media, dat negentig procent van alle mensen geen besef hebben van klimaatverandering, geen besef hebben van de gevolgen van bergtopverwijdering en alle gevolgen voor de gezondheid van mensen. Hou in gedachten dat wij degenen zijn die kanker krijgen van de praktijken van de steenkoolindustrie, en niet jullie, dus we hebben we er wel het een en ander over te zeggen.

Het alomtegenwoordige besef van klimaatverandering heeft onvermijdelijk zijn weerslag op onze geestelijke gezondheid. Mensen maken zich druk over hoe we klem zitten tussen werken om te leven en de schade die we daarmee aanrichten, anderen reageren er juist op door het besef te verdringen of zich ervoor af te sluiten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen onenigheid bestaat over de problemen, hun oorzaken en oplossingen. Wel kunnen we daardoor aannemen dat er spanningen en conflicten bestaan, innerlijke conflicten bij individuen, conflicten binnen gemeenschappen en tussen generaties. Hoe kan het eigenlijk ook anders, bij een klasse mensen die hun eigen lichaam, geest en tijd van leven in dienst stellen van de plannen en winsten van andere mensen?

Over de genealogie van geschift werk

Geschift werk bestaat al sinds werkgevers en slavendrijvers van hun arbeidskrachten eisten dat ze zouden meewerken aan het verwoesten van de natuurlijke en sociale leefomgeving. Het heeft echter eeuwen geduurd voordat we zijn gaan beseffen dat dit soort leed en schade ook gevolgen heeft op planetaire schaal. Geschift werk is al vanaf het eerste begin een essentieel onderdeel geweest van de expansie van kapitalisme, als we dat definiëren als een economie gebaseerd op oneindige groei, voortgedreven door concurrentie tussen bedrijven en staten.

De historici Marcus Rediker en Peter Linebaugh hebben prachtig beschreven hoe tot slaaf gemaakte Afrikanen en Europese arbeiders in de Amerikaanse koloniën havens aanlegden, bossen kapten en plantages aanlegden, en hoe ze bij tijd en wijle dat werk weigerden en ervan wegvluchtten om elders marrongemeenschappen te stichten of zich bij inheemse mensen te voegen. De energie waar de industriële revolutie zijn kracht uit putte, werd met de hand opgegraven door mijnwerkers, maar al doende vochten diezelfde mijnwerkers daarbinnen ook tégen dat werk - en omdat kolen voor de gehele economie onmisbaar waren, wisten ze die gevechten regelmatig ook te winnen. Zoals Timothy Mitchell heeft laten zien, was de structurele macht van kolenmijnwerkers een grote factor in het ontstaan van democratische economische arrangementen rond de verdeling van de opbrengsten van fossiele bedrijfstakken (Timothy Mitchell, Carbon Democracy, Verso). Het was langzame mobilisatie binnen werkplaatsen en gemeenschappen en grote massaprotesten, die ervoor zorgden dat eisen als de achturige werkdag, de vrije zaterdag en sociale zekerheid gemeengoed werden en en dat gemeengoed werd vervolgens het uitgangspunt voor de wettelijke bekrachtiging ervan. Nog in de winter van 1974 wisten stakende kolenmijnwerkers de Britse regering ertoe te noodzaken een driedaagse werkweek af te kondigen als noodmaatregel om elektriciteit te sparen, en die gebeurtenis speelde een grote rol bij de nederlaag van dezelfde Tory-regering later dat jaar.

De energie waar de industriële revolutie zijn kracht uit putte, werd met de hand opgegraven door mijnwerkers, maar al doende vochten diezelfde mijnwerkers ook tégen dat werk - en omdat kolen voor de gehele economie onmisbaar waren, wisten ze die gevechten regelmatigoook te winnen.

In de negentiende eeuw ontstond er, op eilanden in de Stille Oceaan langs de kust van Zuid-Amerika, ook heel letterlijk een “batshit-industrie”, zoals in detail beschreven wordt in Gregory Cushman’s mondiale ecologische geschiedenis van de handel in guano (Gregory T. Cushman, Guano and the Opening of the Pacific World, Cambridge University Press). Hier waren het ondernemende kolonisten die duizenden merendeels inheemse landarbeiders inschakelden om opgehoopte uitwerpselen van vleermuizen en zeevogels af te graven, in te laden en naar elders te vervoeren. Deze guano was nodig voor het bemesten van Europese, Australische en Noord-Amerikaanse landbouwgrond die veelal door roofbouw uitgeput was geraakt. Daarnaast diende het materiaal ook voor de productie van buskruit.

Toen de leefgebieden waar de guano te vinden was merendeels uitgeput en verwoest waren, ging de landbouwsector op zoek naar andere alternatieven, zoals afvalproducten van industriële slachthuizen, en de winning van nitraten, fosfaten en kalium, en vervolgens de productie van kunstmest op basis van aardgas. Het mondiale transport van aanvankelijk vleermuizenpoep en vervolgens kunstmest, zorgde ervoor dat er een onduurzaam, maar weliswaar winstgevend landbouwmodel in stand gehouden kon worden, om de werkende klasse in het mondiale Noorden van goedkope voeding te voorzien. Zoals Cushman uitlegt: “Doordat het deze revolutionaire ontwikkelingen op gang bracht, speelde de exploitatie van de Peruaanse guano en anderssoortige nitraten in het guano-tijdperk een centrale rol bij het beëindigen van het ecologische ancièn regime en de vervanging daarvan door een nieuwe industriële orde op basis van doorvoer.”

Deze transformatie zorgde ervoor dat er een geleidelijke ontkoppeling kon ontstaan tussen landbouwproductie en de kringlopen van voedingsstoffen, wat een exponentieel proces van verstedelijking mogelijk maakte. Door de afname van het kennelijke belang en de alledaagse tastbaarheid van ecologische onderlinge afhankelijkheid tussen werkers, ging hun kijk op de natuur langzaamaan steeds meer overeenkomsten vertonen met die van industriëlen en grootgrondbezitters: de notie dat de natuur niet meer is dan een voorraad grondstoffen, die los staat van de mens. Bovendien merkten vakbonden al gauw dat de bedrijfswinsten baat hadden bij het plunderen van de natuur en dat op die manier ook ruimte ontstond voor de stijging van lonen, zonder gevaar voor de concurrentiepositie van het bedrijf en het voortbestaan van banen. Kortom: uitbuiting van de natuur was een kritiek punt in de ontwikkeling van de economie, waarbij de belangen van kapitaal en bepaalde delen van de werkende klasse in toenemende mate op één lijn kwamen te liggen. Er ontstond zo een diepe spanning tussen, enerzijds, werkers die een masculien soort trots ontleenden aan hun deelname aan de verovering van de natuur en de opmars van “de beschaving”, en anderzijds, werkers in koloniale en neokoloniale zones, die nog wel een directe relatie met de grond en de leefwereld onderhielden, terwijl er ook van hen dingen verwacht werden die daar schade aan toebrachten.

Honderd soorten geschift werk

De hierboven genoemde voorbeelden van guano - een hernieuwbare, samengestelde en organische substantie - en de steenkoolindustrie laten al zien dat alleen kijken naar het product of de gewonnen delfstof nog niet genoeg is om te kunnen zien wat er precies “geschift” is aan het werk in die bedrijfstakken. We moeten ook kijken hoe dat werk concreet plaatsvindt en welk soort economische relaties erdoor bevorderd worden. Zelfs de productie van hernieuwbare energie kan “geschift” zijn, als daarmee voorzien wordt in de eindeloos stijgende energiebehoefte van kapitalistische productie en zonder het gebruik van fossiele brandstoffen feitelijk te vervangen. En zelfs geschift werk kan een context bieden voor politieke eisen die verder reiken. Er zijn talloze soorten geschift werk. Bij sommige banen neemt het geschifte karakter de hele werkdag in beslag, bij andere maar een klein stukje. In het ene geval is schade aan de leefomgeving een onvermijdelijke bijwerking van het eigenlijke doel, in andere gevallen is het doel ook te bereiken op manieren die de leefomgeving sparen. Soms beschikken werkers over zoveel macht dat ze eigenhandig de aanzet kunnen geven tot maatschappelijke transformatie, doordat ze de productie plat kunnen leggen en daarmee bedrijfstakken tot stilstand dwingen. Anderen, zoals bijvoorbeeld de guanowerkers van vroeger of de coltanmijnwerkers van nu, doen hun werk onder koloniale omstandigheden, zonder enige vorm van bescherming en in situaties van voortdurend dreigende armoede, schulden, het risico vervangen te worden of het slachtoffer te worden van geweld. Sommigen - zoals voormannen en ingenieurs - worden goed betaald en hebben werk waarin ze anderen moeten vertellen wat ze moeten doen. Sommige werkers hebben te maken met ondoenbare werktijden en ervaren vervuiling aan den lijve, anderen hebben juist te dealen met het relatieve gemak en de specifieke stress van werken op kantoor. Sommigen zijn gebonden aan gemeenschappen en hypotheken in een gebied waar een mijnbouwbedrijf of de lokale luchthaven de enige werkgever is, anderen reizen de hele wereld rond, op zoek naar potentiële olievelden. Aangezien het delven en verbranden van fossiele brandstoffen cruciaal is voor de arbeidsdeling waar ook ons eigen werk in meer of mindere mate mee samenhangt, is het misschien zinnig om de vraag te stellen welk deel van ons eigen werk geschift is, en of het geschift werk elders in stand houdt. Dus met andere woorden: zelfs als sommige soorten werk zonder meer geschift zijn, is het niet zo makkelijk om geschift werk te onderscheiden van andere types werk, en kan de verantwoordelijkheid om er een eind aan te maken ook niet zo makkelijk aan anderen overgelaten worden.

De redenen om geschift werk te dóen, zijn verre van irrationeel: het zijn banen die een inkomen opleveren, en vaak een identiteit en een besef dat je iets aan de maatschappij bijdraagt. Dat vormt een hindernis bij pogingen om werkers in geschifte bedrijfstakken te organiseren. Een activist voor klimaatrechtvaardigheid zei eens tegen me:

Ik heb zowel in het Westen als het Oosten van Duitsland urenlang, of zelfs dagenlang, met mijnwerkers gepraat. Ze hebben een ontzettend grote hekel aan ons, en dat is meer dan terecht. Het probleem bij hen is niet dat ze geschifte banen hebben, maar eerder dat de hoeveelheid energie en middelen die het zou vergen om hen van actieve tegenstanders tenminste op te schuiven naar 'twijfelaars' mogelijk veel groter is dan wat er nodig is om hun weerstand te neutraliseren.

Zulk strategisch denken is onmisbaar voor milieubewegingen om de prioriteiten van hun inspanningen af te wegen. Maar zelfs als er geen prioriteit gegeven wordt aan het aangaan van een gesprek met werkers in geschifte banen, hebben deze inspanningen bij die groep wel degelijk hun weerslag. Het groeiende besef dat geschift werk onhoudbaar en schadelijk is, zal zeker bij jongere werkers niet zonder gevolgen blijven. Het clichébeeld van “de trotse mijnwerker” is symbool komen te staan voor alle werkers in ecologisch destructieve bedrijfstakken, maar de twijfels en ambivalentie die er spelen, zullen zich binnen de heterogene wereld van geschift werk doorgaans op een ongelijkmatige manier verspreiden. Alle werkers zijn stuk voor stuk méér dan alleen werkers, en het is niet mogelijk om hun belangen en subjectieve zelfbeleving terug te brengen tot hun rol als werkers. Dit roept de vraag op welke interne scheidslijnen er bij deze groep bestaan. Dat vergt dat we onze aandacht verleggen van zuiver abstracte noties van “de werkende klasse”, endat we in plaats daarvan gaan nadenken over hoe geschift werk en de gestaag dalende maatschappelijke legitimiteit ervan hen raakt, en hoe we daar strategisch mee omgaan.

Generatie-fuck-mijn-baan?

Het begrijpen van de specifieke fysieke en mentale, sociale en ecologische schade die door verschillende soorten werk veroorzaakt worden, is niet alleen een taak voor volksgezondheidsdeskundigen, maatschappelijk werkers of wetenschappers die zich met de klimaatimpact van bedrijfstakken bezighouden. Het is ook een vraag voor de betrokkenen zelf, de gemeenschappen die geraakt worden en waar ze veelal zelf onderdeel van zijn, en eentje die wij onszelf moeten stellen. Het begrijpelijk maken van de realiteit van geschift werk vraagt om vormen van geëngageerd onderzoek en co-research. Door de eigen ervaringen van werkers als uitgangspunt te nemen, krijgen we inzicht in datgene wat ze bindt aan het werk dat ze doen, hoe die binding eventueel teniet gedaan kan worden, en daarnaast kunnen er naar aanleiding van zulk onderzoek gesprekken tussen werkers ontstaan die veranderingen in hun denken in gang zetten. In bredere zin biedt het een beter inzicht in, en wordt het makkelijker om bondgenoten te vinden binnen de generatie- en gendergebonden dynamiek die ook vaak een rol speelt, zoals tussen degenen die hechten aan een traditioneel beeld van mannelijkheid, vrouwen die met een onderwijs- of zorgsalaris werkloze mijnwerkers onderhouden, of jonge mensen die hoop hebben op andere dingen dan stoflongen en planetaire catastrofes. Ook is het belangrijk te beseffen dat een groeiend aandeel van het geschifte werk plaatsvindt in precaire omstandigheden en in gemeenschappen die maar weinig stabiliteit kennen, in plaats van in steden wiens geschiedenis vergroeid is met mijnbouw, of waar vakbondstradities en betrouwbare banen de regel vormen.

In het Italië van de jaren zestig kwam er een generatiekloof aan het licht tussen de oudere en een jonge generatie fabrieksarbeiders. Terwijl de oudere generatie trots ontleende aan hun status als gezinskostwinner en aan de bijdrage die ze leverden aan de economische voorspoed van Italië, keerde de jongere generatie arbeiders zich tegen het eentonige werk en het gezag van fabrieksvoormannen en managers. Anders dan de generatie van hun ouders, die opgegroeid was met de tucht van het fascisme en de ontberingen van de oorlog, stond de ervaring van fabriekswerk duidelijk op gespannen voet met de culturele ervaring van de jaren ‘60, en vanuit dat conflict ontstond er een massale beweging van werkweigering. Die begon met verzuim en sabotage en liep voor velen uit op de keus voor een leven dat in de eerste plaats rijk was aan maatschappelijke relaties, en waarin werk bij voorkeur iets was dat met onderbrekingen gedaan werd, in plaats van een ankerpunt te zijn voor een regulier gezinsleven (voor een gefictionaliseerd verslag van deze periode en generatie, neme men Nanni Balestrini's boek Vogliamo Tutto (We Want Everything, Verso, 2016, oorspronkelijk uit 1971). Ook in onze tijd is er sprake van een sterke toename van dissonantie tussen verschillende generaties (Keir Milburn, Generation Left, Polity 2019). Naarmate de klimaatnoodtoestand en processen van ecologische instorting zich verscherpen, is het erg waarschijnlijk dat we een vergelijkbare dynamiek zullen zien bij jongere generatie werkers in de geschifte bedrijfstakken, maar ook tussen oudere collega’s onderling, zoals tussen de vogelkijker en de autoliefhebber, en daarnaast ook in de vorm van individuele innerlijke tweestrijd (de film van Elio Petri La classe operaia va in paradiso [De werkende klasse gaat naar de hemel] geeft vanuit Italiaanse context een boeiend voorbeeld van zo’n soort tweestrijd). De eigenlijke vraag is kortom niet óf de balans tussen economische en ecologische belangen zal verschuiven, maar op welke manier precies, wat we kunnen doen om dit proces te versnellen en welk soort gevechten daaruit zullen voortvloeien.

Uitbuiting van de natuur was een kritiek punt in de ontwikkeling van de economie, waarbij de belangen van kapitaal en bepaalde delen van de werkende klasse in toenemende mate op één lijn kwamen te liggen.

De rest van dit artikel gaat in op verschillende mogelijke antwoorden op deze vragen, van vakbonds- en politieke voorstellen voor een Rechtvaardige Transitie of een Green New Deal, tot de bevordering van ecologisch bewustzijn of van het idee dat de leefwereld van werkende mensen draait om meer dan alleen werk. De inzet is niet alleen dat zoveel mogelijk werkers het idee van rechtvaardige transitie kennen en steunen, maar te zoeken naar manieren waarmee ze hun eigen structurele machtspositie kunnen gebruiken om voor zo’n transitie te vechten, in plaats van ertegen. Bij elkaar genomen, hebben werkers namelijk verstand van ieder verwaarloosd detail van het feitelijke functioneren van iedere geschifte bedrijfstak: ze weten wat de hefbomen zijn, welk proces het meest vatbaar is voor verstoring door stakingen, blokkades of sabotage. Individueel kunnen werkers zand in de raderen strooien, hun inspanningen terugschalen of zich ziek melden. Collectief kunnen ze een strijd aangaan voor hogere lonen, lagere winsten en hele industrieën of logistieke ketens tot stilstand brengen. Maar zolang werkers hun belangen zien in het verlengde van het kost-wat-kost beschermen van de winstgevendheid van kapitalistische ondernemingen, inclusief vervuilende, extractieve bedrijfstakken, is het waarschijnlijker dat ze hun positie zullen gebruiken om een groter deel van de buit op te eisen, en zich in te spannen voor behoud van de economie die draait om buit maken.

De paradoxen van een transitie weg van geschift werk

Wie in een zwaar vervuilende bedrijfstak werkt, wordt veelal afgeschilderd als iemand die niet vooruitkijkt en zich tegen verandering zal verzetten. Ze worden zo ingezet om het contrast te illustreren tussen de wereld van werk en het belang van de leefwereld. Dit contrast wordt dan bevestigd door de bittere strijd die sommige bonden voeren om banen in geschifte sectoren te behouden, en hun lobbywerk bij politici om verdere groei ervan mogelijk te maken. Maar tegelijkertijd bestaat er bij de meeste vakbonden wel een besef dat de overgang naar een koolstofneutrale economie er sowieso komt, of het werkers nou uitkomt of niet. Om zowel praktisch als ideologisch grip op dit probleem te krijgen, is de afgelopen decennia de benadering van de zogenoemde "rechtvaardige transitie" ontstaan.

Rechtvaardige transitie als concept heeft al een lange geschiedenis. Halverwege de jaren ‘70 gingen arbeiders van Lucas Aerospace op eigen initiatief een samenwerkingsverband aan met een groep radicale onderzoekers, omdat hun werkgelegenheid op de tocht stond vanwege de verminderde Koude-Oorlogsspanning. In onderling overleg werd de basis gelegd voor het zogenoemde Lucasplan, dat een richting aangaf om hun vaardigheden te kunnen benutten voor maatschappelijk en ecologisch zinnige doeleinden. Zoals Carl Boggs uiteenzet, kwamen er tijdens de jaren ‘80 uit de Amerikaanse en Duitse ecologische en anti-oorlogsbewegingen vergelijkbare initiatieven, geïnspireerd op de GI Bill, de Amerikaanse wet waarmee gedemobiliseerde soldaten na het einde van de Tweede Wereldoorlog toegang kregen tot bijstand, onderwijs en betaalbare huisvesting om zich weer aan te kunnen passen aan het maatschappelijke leven. In de vroege jaren ‘90 nam Tony Mazocchi van de Oil, Chemical and Atomic Workers International Union hetzelfde idee als uitgangspunt voor het milieubeleid van de vakbondsbeweging, met een voorstel voor een “Superfonds voor werkers”, dat zich toe zou leggen op het bekostigen van omscholing en vaardigheidstraining voor werkers die als gevolg van beter milieubeleid hun baan kwijt dreigden te raken. De terminologie van “rechtvaardige transitie” raakte ingeburgerd, en in de late jaren negentig werd die eerst door individuele vakbonden als eis opgenomen, en vervolgens werd het in de jaren 2000 in het beleid van internationale vakbondsfederaties opgenomen, met name in de uitwerking van de onderhandelingsinzet voor hun deelname aan internationale klimaatconferenties.

Naast omscholing en overbrugging bij werkloosheid, bevat een voorstel voor rechtvaardige transitie doorgaans de eis dat er alternatieve werkgelegenheid voor werkers gegarandeerd wordt, bescherming voor hun maatschappelijke rechten (zoals gezondheidszorg en pensioenen), en beleid om algemene werkgelegenheid te bevorderen, economie-breed of specifiek in de gemeenschappen die te maken krijgen met sluitingen of krimp van vervuilende bedrijfstakken. Rechtvaardige transities zijn bedoeld als hulpmiddelen in het gevecht tegen de nadelige gevolgen van “vrijemarkttransities”. Soms wordt er geprobeerd om een oplossing uit te onderhandelen met overheden of werkgevers, in andere gevallen – al doet dit zich vaker voor na financiële tegenslagen dan om milieuredenen – nemen werkers het bedrijf zelf over en passen ze de werkwijze en productiedoelstellingen aan. Een paar recente voorbeelden daarvan zijn New Era Windows in Chicago, de tegelfabriek FaSinPat in het Argentijnse Neuquén en de zeepfabriek Vio.me in Tessaloniki, Griekenland.

De discussie over Rechtvaardige Transitie richt zich op twee vragen: hoe vermijd je de negatieve consequenties van een “aanpassing volgens de vrije markt” of hoe overtuig je reactief ingestelde werkers om overgangsmaatregelen te aanvaarden? Met andere woorden, voorstellen voor een rechtvaardige transitie worden bijna altijd geformuleerd in een situatie waarin er al een “onrechtvaardige” transitie gaande is, die zich niks aantrekt van de voorkeuren van werkers. Hoewel er in dit soort voorstellen doorgaans een visie geschetst wordt van een rechtvaardiger en duurzamere wereld, is het zelden zo dat duurzame transities opgeëist vanuit werkplekken die niet om een of andere reden al op de rol staan voor sluiting - althans dat is wat mijn eigen onderzoek laat zien. Ondertussen blijken overheden en werkgevers uiterst onwillig om winstgevende bedrijfstakken te sluiten, ongeacht welke grootschalige schade ze veroorzaken. Wanneer ze toch overgaan tot het sluiten van van een mijn of kolencentrale, is de leefwereld vaak niet meer dan een bijkomstig argument. Toen de regering Thatcher begin jaren tachtig mijnbouwgemeenschappen de oorlog verklaarde door mijnen te sluiten, was het breken van de politieke macht van die gemeenschappen het doorslaggevende doel, omdat die macht Conservatieve regeringen al vaker had opgebroken. De teruggang van steenkolenmijnbouw in de Verenigde Staten van de afgelopen paar decennia had meer te maken met de opkomst van aardgas uit fracking, de lagere prijs van geïmporteerde kolen en hernieuwbare energie dan met een veronderstelde “oorlog tegen steenkool” van de kant van de regering. In dit soort gevallen ontbreekt het de mijnen aan zoveel economische levensvatbaarheid dat looneisen van werkers amper als hefboom kunnen dienen. In een recent rapport van het Labour Network for Sustainability, schrijven Amerikaanse vakbondsmensen dat veel werkers op rechtvaardige transitieplannen reageren met dezelfde vermoeide houding als Britse mijnwerkers vertoonden ten aanzien van plannen voor de “herontwikkeling” van voormalige mijnbouwgebieden: als een eufemisme voor verdwijnende banen en neergang van gemeenschappen. Zonder het belang te ontkennen van transitieregelingen bij individuele bedrijven, wijst Tadzio Mueller erop dat “er geen voorbeelden voorhanden zijn van vlugge rechtvaardige transities op het niveau van hele bedrijfstakken, die ook daadwerkelijk rechtvaardig gevonden worden door degenen wiens werkgelegenheid van die extractieve sectoren afhangt.” Bijna dertig jaar na het ontstaan van de benadering en na twee decennia van toenemende bekendheid is dit kortom geen fantastische staat van dienst. Mueller trekt hieruit de controversiële maar moeilijk te weerleggen conclusie:

laten we vooral doorgaan met de zoektocht naar overtuigende modellen en beleid voor voorgestelde rechtvaardige transities. Maar laten we vooral altijd duidelijk zijn over het feit dat de betreffende bedrijfstakken in rap tempo gesloten moeten worden, ongeacht of er al dan niet dergelijke voorstellen naar voren worden gebracht. Elke andere aanpak zou tot gevolg hebben dat de rechtvaardige transitie verandert in de linkse versie van “groen kapitalisme”, en daarmee de illusie in leven houdt dat aanhoudende economische groei of het behoud en uitbreiding van industriële banen in het mondiale Noorden te verzoenen zijn met het stoppen van de escalerende klimaatontwrichting.

De Green New Deal

Omdat “predatory delay” gebruikelijk is en er zelfs vaak van vrijemarkttransitie geen sprake is, heeft de discussie zich verplaatst van vakbondsinitiatief bij transities richting steun aan politici die de noodzaak daarvan erkennen. Vandaar de toegenomen interesse in voorstellen als de “Clean Energy Worker Just Transition Act” van Bernie Sanders en Jeff Merkley, het “Evergreen Economy Plan” van democratische presidentskandidaat Jay Inslee, en tenslotte, het meest in het oog springende voorbeeld, de Green New Deal die gepromoot wordt door de Sunrise Movement en Alexandria Ocasio-Cortez. Deze verschuiving is ongetwijfeld een belangrijk gegeven. De Green New Deal is niet alleen maar een plan, maar biedt aan veel mensen tastbare hoop en een manier om dingen met elkaar in verband te brengen, en stelt aan de orde dat rechtvaardige transitie in feite een politiek strijdterrein is, waarbij de technische kanten van de transitie diepgaand vervlochten zijn met politieke strategieën en de mobilisatie van sociale bewegingen, zoals bijvoorbeeld Thea Riofrancos met haar onderzoek laat zien. Want zonder maatschappelijke mobilisatie komt er van de Green New Deal vrijwel zeker niets terecht.

Bij elkaar genomen hebben werkers verstand van ieder verwaarloosd detail van het feitelijke functioneren van iedere geschifte bedrijfstak.

In voorstellen voor rechtvaardige transities en voor een Green New Deal wordt gesteld dat de conflicten tussen de economische en ecologische belangen van werkers overwonnen kunnen worden door middel van een diepgaande transformatie van werk. Maar zolang het economische belang van werkers bij behoud van geschift werk meer zeggingskracht en organisatorisch vermogen heeft dan hun ecologische belangen, zal de wereld van geschift werk het blijven winnen van een groene, rechtvaardige economie. Dat Donald Trump zal zorgen voor het herstel van de bedrijfstak die ze kennen, zal mijnwerkers dan een stuk realistischer in de oren klinken dan dat Bernie Sanders een nieuw soort economie een kans geeft. En – nog problematischer – we moeten het ook hebben over hoe een transitie eruit zou zien in situaties en landen waar er geen Green New Dealers zijn die verkiezingen weten te winnen, of op plekken waar überhaupt geen verkiezingen zijn. Hoewel het niet ondenkbaar is dat overheden en een groeiend aantal sectoren van het kapitalistische bedrijfsleven meer interesse krijgen in een duurzame transitie, geven de ervaring en de wetenschap aan dat het een slecht plan is om daar simpelweg op te vertrouwen.

Hierbij is het nuttig te bedenken dat de oorspronkelijke New Deal niet een regeringsreactie was op de Grote Depressie als “objectieve” crisis. Zoals Lisbeth Cohen en Rhonda Levine hebben laten zien, werd de regering Roosevelt pas aangezet tot een grondige maatschappelijke reorganisatie van de staat nadat werkloos geworden mensen de economische crisis veranderden in een sociaal-politieke crisis, door zich te organiseren, werkplekken plat te leggen en bij overheidskantoren te protesteren. Met dat soort acties ontwikkelden organisaties van de werkende klasse zich tot een niet te negeren gesprekspartner voor de overheid en werkgevers, en dit schiep het politieke uitgangspunt voor een deal. Daarmee komen we terug bij de vraag hoe we een meer aanhoudende vorm van macht kunnen ontwikkelen, die begint bij werkers en gemeenschappen, en specifieker: welke hefboomwerking er kan uitgaan van degenen in geschifte bedrijfstakken en activiteiten zelf, met name de sectoren waar nog helemaal niet gesproken wordt over de noodzaak van een transitie? In tegenstelling tot de oorspronkelijke New Deal, die manieren zocht om werkers te integreren in een economie van massaconsumptie – in wat Brand en Wissen “de imperiale leefstijl” noemen – is er nu iets anders nodig, namelijk het herstel, het maken en waarderen van ecologische verbanden die maatschappelijk, subjectief en concreet zijn. Maar hoe pak je zoiets aan?

Werkers en gemeenschappen

In een wereld die strak staat van ongelijke en hiërarchische verhoudingen is het idee van een “gemeenschappelijk menselijk belang” een nogal vrome abstractie. Het beantwoorden van de vraag wat onze ecologische belangen zijn, moet daarom daar beginnen waar mensen zich feitelijk en subjectief bevinden, en proberen om dergelijke hiërarchieën en ongelijke verhoudingen actief af te breken, en de concrete levenssituatie van mensen te benaderen als potentiële bron van macht en verzet. De kracht van rechtvaardige transitie is dat die uitgaat van werkers en hun gemeenschappen zoals ze nu zijn. Door in te gaan op hun concrete economische belangen, wat ze hopen en wat ze vrezen, veranderen hun verwachtingen en perspectieven. Terwijl economische belangen doorgaans beschouwd worden als een heden dat zich uitstrekt tot in de toekomst – banen die vandaag geld opleveren, hypotheken, studiekosten of pensioenen bekostigen – worden ecologische belangen vaak alleen op de toekomst betrokken - zowel in het geval van mogelijke toekomstige ecologische rampen, maar ook bij de hoop op een rechtvaardige en groene economie. Het is daarom niet zo vreemd dat de economische belangen het doorgaans winnen.

Om inhoud te geven aan ecologische belangen moeten we werkers benaderen als volledige mensen, wiens levens deel uitmaken van netwerken van onderlinge afhankelijkheid (Fridjof Capra, The Web of Life) en zich afspelen in ecologische verbanden van maatschappelijke, subjectieve en natuurlijke aard (Felix Guattari, Three Ecologies). Dat betekent dat we los moeten komen van de masculinistische visie waarin werkers een afgescheiden, aparte soort economische subjecten zijn die alleen hun eigenbelang nastreven. Het bestaan als werker bevat tegenstrijdigheden, wat inhoudt dat we ook moeten leren omgaan met dat deel van hun leven dat níet uit werk bestaat – de periodes van scholing, ziekte, werkloosheid en pensioen die er deel van uitmaken – en hun belang bij zaken als rust, sociaal leven en ontspanning. Een voormalige organizer bij een Britse vakbond zei een keer tegen me:

Bij het praten met mensen die werken in vervuilende industrieën, over rechtvaardige transitie en vergroening van werkplekken, is mijn ervaring dat je op iedere werkplek wel mensen tegenkomt die heel graag vertellen over hun verbinding met de natuur en milieuvraagstukken in hun leven buiten hun werk – hun volkstuin of hobby’s als vogelen - en daarnaast over bezwaren, bijvoorbeeld dat er bezuinigd is op een pendelbus waardoor ze allemaal individueel met de auto moeten komen, met alle extra vervuiling die dat oplevert. Zowel in de positieve als de negatieve voorbeelden, zijn dat de mensen die het best weten hoe ze met collega’s kunnen praten over milieukwesties, en je krijgt zo ook door dat mensen er echt voor open staan als je ze niet alleen benadert als werknemers, maar juist als mensen die naast hun werk ook nog een leven, interesses en gemeenschappen hebben, wanneer je ze gelegenheid geeft om te vertellen hoe zulke dingen zich verhouden tot hun activiteit op het werk.

Geschift werk verschaft niet enkel een bron van inkomsten, het kost de werkers zelf ook wat: hun gezondheid, vrije tijd, en de leefwereld(en) waar ze ook zelf plezier aan ontlenen en van afhankelijk zijn. Door dit serieus te nemen kunnen we onze gedeelde ecologische belangen in het hier en nu plaatsen. Bij werkers zorgt dat voor meer bereidheid om de waanzin waar ze zelf een bijdrage aan leveren te betwisten, en het versterkt hun eigen positie om een rechtvaardige transitie op te eisen, als iets dat in de huidige situatie nodig is.

Geraakt zijn als uitgangspunt

Verontreiniging van onze longen en cellen, zware metalen in onze organen en botten, onrust over klimaatontwrichting die onze geest tart – de actuele weerslag van milieuschade op onze lichamen, op onze subjectieve gesteldheid en onze onderlinge maatschappelijke verbanden springt steeds meer in het oog. Zelfs klimaatontkenners en degenen die denken dat technologie wel de oplossing zal leveren, lijken steeds geschifter, en steeds obsessiever in hun pogingen om te bewijzen dat alles in orde is of wel goed komt. Door uit te gaan van “geraakt zijn”, iets dat begint bij toenemende cognitieve dissonantie en uiterlijke schijn van onverschilligheid, kunnen we aandacht geven aan de onderlinge verbondenheid tussen lichaam, subjectiviteit, maatschappelijke relaties en ecologische verbanden, en de manier waarop al deze dingen geraakt worden door de geschifte aard en inhoud van werk. Hierbij is veel te leren van milieucampagnes en vakbondsinitiatieven die werkten met gemeenschappen die direct schade ondervonden van milieuverontreiniging en achteruitgang van hun leefomgeving.

Een goed voorbeeld is de campagne tegen de aanleg van een derde landingsbaan op de Londense luchthaven Heathrow (volgens de planning zal de uitbreiding een koolstofvoetafdruk hebben die even groot is als die van Kenia). Dat project zette de bewoners van de omliggende dorpen en buitenwijken aan tot protest. Zij zouden geraakt worden door een toename van lawaai en luchtvervuiling of zelfs sloop van hele buurten. Anderzijds was het ook voor mensen die direct of indirect voor de luchthaven werken, en veelal te maken hebben met lage lonen en barre werkomstandigheden een reden om in actie te komen. Deze groepen overlappen elkaar natuurlijk ook gedeeltelijk. Burgerwetenschap speelt in dergelijke campagnes vaak een belangrijke rol. Burgers en activistische wetenschappers stelden samen onderzoeksdoelen op en verrichtten wetenschappelijke metingen van vervuiling en combineerden dit met het documenteren van tastbare observaties - bijvoorbeeld de variatie van de zichtbare en te ruiken hoeveelheid smog – of ze hielpen burgers met apparatuur waarmee ze de geluidsoverlast van Heathrow konden livestreamen. Door collectief te documenteren hoe een vervuilende bedrijfstak ook werkers en hun gezinnen raakt, kun je de basis leggen voor een campagne met verschillende invalshoeken. In veel gevallen draaien dergelijke campagnes om een specifieke gemeenschap en werkplek. Naarmate onze tastbare ervaringen met de concrete gevolgen van klimaatverandering en ecosysteemverwoesting de komende jaren toenemen, kan dit type campagnes een grotere reikwijdte en meer impact krijgen.

Verontreiniging van onze longen en cellen, zware metalen in onze organen en botten, onrust over klimaatontwrichting die onze geest tart – de actuele weerslag van milieuschade op onze lichamen, op onze subjectieve gesteldheid en onze onderlinge maatschappelijke verbanden springt steeds meer in het oog.

Een andere manier om het besef van onze ecologische belangen aan te scherpen, is die in verbinding te brengen met hoe mensen geraakt worden door de uitbesteding van werk en de wereldwijde druk op de lonen die daaruit voortvloeit. Door acties en campagnes van vakbonden en sociale bewegingen die opgezet zijn rond mondiale economische waardenketens, krijgen werkers ook meer inzicht in hun eigen positie en rol binnen de plaatsoverschrijdende ketens van ecologische schade. Er bestaat waar dan ook ter wereld geen enkele fossiele of extractieve bedrijfstak die geen milieu- of gezondheidsschade met zich meebrengt. Door het volgen van de verbindingen tussen extractiegebieden en plekken waar productie plaatsvindt, tussen transportroutes en toeleveringsnetwerken, wordt het vanzelf duidelijk waar mogelijke bondgenoten te vinden zijn – andere werkers, andere geraakte gemeenschappen – en dan kom je ook punten tegen waar het mogelijk is om verschillende soorten stromen te onderbreken. Wat dit ook duidelijk maakt, is hoe belangrijk het is om econationalisme te vermijden - een denkstroming gericht op een groene economie op nationale schaal. Vanuit dat kader is het wenselijk om milieuschade uit te besteden aan landen waar bijv. een grondstof als indium voor zonnecellen gewonnen wordt, lithium voor accu’s, neodymium voor windturbines, enzovoorts, en om zoveel mogelijk patenten voor duurzame technologie te verzamelen.

Staken tegen geschift werk

Zolang de betrokkenheid, het geraakt zijn of de bezorgdheid nog voornamelijk bij individuen blijft, is het uitspreken daarvan een vorm van actie met in potentie radicale gevolgen. Er moet gezocht worden naar organisatorische en tactische actievormen om aan deze geïndividualiseerde vrees en bezorgdheid een maatschappelijke richting te geven. De tactiek van de schoolstaking was bijvoorbeeld de manier waarop Greta Thunberg haar individuele bezorgdheid en depressie wist om te zetten in een collectief gevecht voor een daadwerkelijke aanpak van de klimaatcrisis. Extinction Rebellion heeft het afgelopen jaar op een massale schaal iets vergelijkbaars gedaan, maar hoewel de kracht van hun directe en aanstekelijke acties indrukwekkend is, zijn deze nog wel grotendeels gebaseerd op een idee van activisme als iets dat toch vooral losstaat van het alledaagse leven. Een heel andere benadering is die van het Transition Towns-initiatief, bedoeld om de zorgen van bewoners van kleinere gemeentes om te zetten in betekenisvol gezamenlijk handelen, zoals het opzetten van recyclingstructuren, gedeelde zonnestroominstallaties of oplossingen voor gedeelde vervoersmiddelen. Zo ontwikkelen mensen belangen bij de gemeenschap waar ze al deel van uitmaken, en deze belangen hebben zowel een economische als een ecologische kant.

De schoolstakingen en transitiesteden zijn beide sterk geworteld in de alledaagse werkelijkheid van mensen, maar brengen daarin ook verandering teweeg. Als schoolstakers staken, sturen ze niet alleen een boodschap, maar ze doen dat samen met anderen die ze dagelijks zien en spreken, en door die gedeelde activiteit gaan ze de wereld anders zien en leren ze hoe collectieve actie werkt. Dat ze op deze manier passiviteit afwijzen, heeft weer zijn weerslag binnen onderwijsinstellingen en in woonbuurten. De rebellie die ze daarmee bevorderen keert zich niet alleen tegen regeringen en grote bedrijven, maar wordt een onderdeel van het dagelijks leven, doordat ze weerwerk moeten bieden aan ouders, docenten of schoolhoofden die de stakingsacties proberen in te perken. Een staking houdt altijd in dat de productie van een bepaald iets opgeschort wordt, en een schoolstaking is dus een opschorting van de productie van onderwijs, van het opleiden van iets dat voor kapitaal uiterst waardevol is: namelijk inschikkelijke en productieve werknemers en burgers.

Kortgeleden weigerden Italiaanse havenwerkers mee te werken aan het laden van een Saoedisch vrachtschip, uit protest tegen de oorlogscampagne van de Saoedische regering tegen de bevolking van Jemen. “Wij maken onszelf niet medeplichtig”, zei één van de aanvoerders van de actie, waarmee hij aangaf dat de gebruikelijke gang van zaken een vorm van medeplichtigheid omvat, en dat het weigeren van die medeplichtigheid een krachtig signaal is. Sommige werkers in geschifte banen hebben de gunstige positie dat hun werk ze een grote mate van beslisvermogen geeft. Docenten die scholieren opleiden voor geschift werk kunnen tot op zekere hoogte invloed uitoefenen op de inhoud van het onderwijsprogramma, kritische wendingen geven aan een voorgeschreven curriculum, of bijvoorbeeld geraakte gemeenschappen een actieve rol geven binnen onderzoeksprojecten met ‘co-research’ (vormen van autonoom en activistisch onderzoek). Publieke en private beheerders kunnen prioriteiten aanpassen en stappen zetten richting een duurzamer gebruik van grondstoffen en betere vormen van afvalverwerking. Maar over het algemeen is geschift werk vatbaarder voor zowel gecoördineerde als ongecoördineerde acties op een grotere schaal, van officiële vakbondsstakingen en wilde stakingen tot sabotage en ziekmeldingen, of acties waarbij niet-werknemers logistieke knooppunten blokkeren, graafwerkzaamheden belemmeren, zich vastketenen aan bomen, of het bezetten van grond die bestemd was een luchthavenuitbreiding. Dergelijke bewegingen zijn op hun sterkst als gemeenschappen en de maatschappij eromheen morele en materiële steun verleent aan werkers, of als werkers activisten van buiten kunnen vertellen over de zwakke plekken van een bedrijfstak. Om dat soort acties te kunnen ondernemen, zijn er sterke netwerken van onderlinge steun en solidariteit nodig. Denk bijvoorbeeld aan het organiseren van rechtshulp of een stakingskas, of aan alledaagse steun aan werkers die vanwege hun betrokkenheid bij dergelijke acties ontslagen worden. Het laat ook zien dat een rechtvaardige transitie een urgente eis is voor het hier en nu.

Een wereld voorbij geschift werk

In een maatschappij waar geschift werk niet langer de regel is, zouden we allemaal minder werk en andersoortig werk doen. Een verschuiving naar andere vormen van werk zou omvatten dat miljoenen mensen bevrijd worden van de lichamelijke en mentale last van geschift werk, en dat we onze inspanningen kunnen richten op de meer betekenisvolle en sociaal nuttige activiteiten: leren en lesgeven, zorgwerkzaamheden, de zorg voor kinderen, restoratieve landbouw, duurzame vormen van bouw en architectuur, herbebossing en meer van dien aard. Een kortere werkweek vermindert de dwangmatige behoefte aan groei, en zorgt dat ook bij een geringer doorvoervolume en kleinere behoefte aan arbeid de werkgelegenheid op peil blijft. Minder werk betekent misschien minder materiële consumptie, maar niet automatisch minder kwaliteit van leven - denk aan activiteiten als muziek maken, spel en sport, koken, slapen, dansen en vrijen, lezen en leren, tuinieren en tijd doorbrengen met vrienden, geliefden, buren en familie. De maatschappelijke vraag naar delfstofwinning en massaproductie zou radicaal verminderd kunnen worden door een levenswijze die draait om zorg en samenleven. Dat impliceert een sterke verminderde macht van kapitaal om over onze werkzame activiteit te beschikken; zo vergroten we onze kansen dat we op een bepaald moment zullen kunnen stellen dat we hebben weten te ontsnappen aan de planetaire ramp van het kapitaloceen.

Voor vakbonden zou zo’n soort verandering betekenen dat ze niet langer uitgaan van op consumptie gerichte looneisen, maar bij hun eisen kwaliteit van leven centraal stellen. Een kortere werkweek, betaald ouderschaps-, scholings- en zorgverlof, verbeterde en kostenloze gezondheidszorg, onteigening van leegstaande gebouwen om ze te herbestemmen als culturele centra, omvorming van golfbanen tot openbare parken en volkstuinen, en een groeiende sector van banen gericht op ecologisch herstel. Al deze dingen vergen een heldere breuk met het dogma dat collectieve onderhandelingen binnen de grenzen zouden moeten blijven van de winstgevendheid van een bedrijf of bedrijfstak. Sterker nog, vakbonden zouden actief moeten inzetten op eisen waardoor geschifte bedrijfstakken hun economische levensvatbaarheid kwijtraken. Dit lijkt wellicht radicaal, maar vakbonden hebben een lange en solide geschiedenis als het gaat om het afdwingen van gezondheids- en veiligheidsnormen, denk aan de achturige werkdag en de afschaffing van kinderarbeid – waarbij ze het geweeklaag van bedrijven over hun winstgevendheid stoïcijns links lieten liggen. Waarom zouden vakbonden zich in de huidige situatie anders opstellen? Bedrijven die niet winstgevend zijn maar wel de klimaat- en ecosysteemcrisis verergeren, vormen een actief gevaar voor de levens van werkers en zijn het voorbestaan niet waard.

Voor een wereld die echt geschift werk weet te ontstijgen, moet niet alleen werk omgevormd worden, maar ook veel andere aspecten van productie. De technische vragen die daarbij komen kijken zijn zeker niet te verwaarlozen, en voeren ons terug naar de potentiële rol van werknemers in geschifte bedrijfstakken: net als de werkers van Lucas Aerospace beschikken ze over veel van de technische en gesitueerde kennis die nodig zal zijn om bruikbare delen van bedrijfstakken te herbestemmen en ze van binnenuit om te vormen, met name als ze daarbij kunnen beschikken over de nodige kennis over natuurlijke ecologie. Door de herbestemming van technologie aan een wetenschappelijke analyse van de leefomgeving te verbinden, kunnen we landbouw, bosbouw, energieproductie en afvalbeheer zo inrichten dat ze in onderling verband met de natuurlijke cycli werken, in plaats van ertegenin te gaan. Zulk werk is niet alleen om technische redenen maar ook om ideologische redenen van belang. Het biedt tegenwicht aan klimaatontkenning en het onkritische enthousiasme voor puur technologische oplossingen en geoengineering dat er vaak mee verbonden is. Er kunnen zo, in het hier en nu, allianties gesmeed worden tussen milieuactivisten en degenen die in geschifte bedrijfstakken werken, om precies het terrein te bezetten waar klimaatontkenning en ecomodernisme veel van hun overtuigingskracht aan ontlenen: het gevoel te weten wat natuur is en de overtuiging dat wetenschap en technologie hoop en mogelijkheden brengt. In plaats van de natuur essentialistisch te zien als een onveranderlijk iets, en technologie als factor van uniforme vooruitgang, krijgen we dan praktijken die technologie en wetenschap nieuwe bestemmingen geven, en rekenschap geven van onze eigen plek in de continu veranderende ecologieën die met hun onderlinge verbanden het web van het leven op de planeet vormen.

Om geschift werk af te schaffen, moeten we eerst – zowel werkers als niet-werkers – de schadelijke effecten ervan onderkennen, en daarnaast vooropstellen dat we het vermogen hebben om het te weigeren en om te vormen tot iets anders. Want dat is een dringende noodzaak. Het begint bij kijken naar de manieren waarop het ons raakt, en hoe we op alledaags niveau onze zeggenschap kunnen vergroten. Samen met anderen door iets geraakt worden betekent dat er een gedeelde behoefte aan meer zeggenschap in beeld komt, iets dat alleen bereikbaar is door een herleving van vakbondsactivisme of sociale bewegingen. Dit komt tot uiting in opvattingen, houdingen, gedrag en maatschappelijke verbanden, in prioriteiten, behoeften en verlangens. Dit alles vergroot de waarschijnlijkheid van alle strategische scenario’s waar de Rechtvaardige Transitie en de Green New Deal het van moeten hebben, van sociale strijd en akkoorden met werkgevers en regeringen, tot aan electorale winst. Het is begrijpelijk dat er voor klasse-akkoorden ook vormen van klasse-vertegenwoordiging nodig zijn en onderlinge erkenning tussen maatschappelijke klassen: werkgevers erkennen doorgaans geen vakbonden zonder dat ze daartoe gedwongen worden. Door ecologische verbanden te leggen en collectieve macht op te bouwen, vergroten we onze kansen op een geplande en rechtvaardige transitie. Maar zelfs als een dergelijke transitie mislukt – of totdat die wel uit de verf komt – zullen we behoefte hebben aan collectieve veerkracht, onderlinge zorg en solidariteit.

De auteur wil graag Manuela Zechner, Tadzio Müller en Tim Savage bedanken voor hun soms uitdagende reacties, die geholpen hebben dit essay te verbeteren.

De Engelstalige originele tekst van dit essay verscheen op OpenDemocracy, op basis van een eerder kort essay.

Hier gepubliceerd op 19 juni 2021 / Nederlandse vertaling door Thijs Vissia
Abstracte Aarde maakt gebruik van CouchCMS