ø

ABSTRACTE AARDE

Abstracte Aarde is een project over ecologische crisis, materiƫle en maatschappelijke verhoudingen. Over dit project

Dit project heeft tot doel verbindingen te leggen tussen klimaatbeweging en materialistische sociale kritiek, door het vertalen van hele artikelen, interviews of korte uitsnedes daaruit.

Heb je vertaalsuggesties of wil je bijdragen met vertaalwerk, mail dan naar: bijdragen [at] abstracteaarde.nl.

Tussen twee kwaden: de duivel en de Green New Deal

Jasper Bernes

Wetgeving en massale publieke investeringen in infrastructuur bieden geen uitweg voor catastrofale aardopwarming.

De Bayan Obo mijn in China, waar zeventig procent van alle zeldzame aardmineralen ter wereld uit de grond gehaald en geraffineerd wordt, oogt vanuit de ruimte als een schilderij. De druppelvormige paisley-patronen van mijlenlange meren die gevormd worden door radioactief residu laten in geconcentreerde vorm alle verborgen kleuren van de aarde zien: minerale aquamarijnen en okers die een schilder wellicht ter hand zou nemen om de heersers van een in verval geraakt wereldrijk te vleien.

Om tegemoet te komen aan de vereisten van de Green New Deal, die voorstelt om de Amerikaanse economie vóór 2030 om te bouwen tot een emissieloos construct dat enkel hernieuwbare energie gebruikt, zullen er een groot aantal vergelijkbare mijnen in de aardkorst gegutst moeten worden. Dat komt omdat haast elke hernieuwbare energiebron afhankelijk is van niet-hernieuwbare en moeilijk te winnen mineralen: in zonnecellen gaat indium, in windturbines neodymium, in accu’s lithium en geen ervan komt tot stand zonder kilotonnen aan staal, tin, zilver en koper. De toeleveringsketen van de hernieuwbare energie ziet eruit als een ingewikkeld hinkelpad over het periodieke systeem en de wereldkaart. Om een zonnepaneel van hoge capaciteit te produceren, heb je bijvoorbeeld koper (atoomnummer 29) uit Chili nodig, indium (49) uit Australië, gallium (31) uit China en selenium (34) uit Duitsland. Voor veel van de efficiëntste, direct aangedreven windturbinemodellen is een paar pond van het element neodymium nodig, en in iedere auto van Tesla zit circa 65 kilogram lithium.

Het is niet voor niks dat kolenmijnwerkers tijdens de negentiende en twintigste eeuw golden als de zichtbare beeltenis van de ellende van het kapitalisme - het is uitputtend, gevaarlijk, lelijk werk. Le Voreux, “de vraatzuchtige” - zo noemt Émile Zola de kolenmijn in Germinal, zijn roman over klassenstrijd in een Franse mijnwerkersplaats. Getooid met een reeks kolenstokende schoorstenen is de mijn gelijktijdig doolhof en minotaurus, “die zich als een kwaadaardig monster hurkend schuilhoudt in het diepste van zijn hol … zuchtend en hijgend in steeds tragere, diepere halen, alsof het moeite heeft om zijn menselijke maaltijd behoorlijk te verteren.” Monsters zijn in de klassieke mythologie voortbrengselen van de aarde, kinderen van Gaia, die aan de grotten ontspringen en vervolgens opgejaagd worden door een wreed beschavend ras van hemelse goden. Maar het monsterlijke in het kapitalisme is precies de aarde die bezield en in beweging gezet wordt door die beschavende krachten. In ruil voor deze aardse schatten - die gebruikt worden om treinen en schepen en fabrieken in beweging te zetten - bestaat er een hele klasse mensen die aan de mijnen geofferd wordt. De opwarmende aarde is vergeven van dit soort monsters van onze eigen makelij - monsters van droogte en migratie, hongersnood en storm. Hernieuwbare energie biedt feitelijk geen toevluchtsoord. Het ergste industriële ongeluk in de Amerikaanse geschiedenis, het Hawk’s Nest Incident van het jaar 1930, was een ramp die om hernieuwbare energie draaide. Tijdens het boren van een drie mijl lang toevoerkanaal voor een waterkrachtcentrale werden vijfduizend werkers het slachtoffer van een ongeluk toen ze een dikke ader kwarts raakten, waardoor de door hen gegraven tunnel zich vulde met een verblindend witte stofwolk. Achthonderd van hen overleden aan silicose, een variant van stoflongen. Energie is nooit “schoon”, zoals duidelijk gemaakt wordt door Muriel Rukeyser in “The Book of the Dead”, het epische documentaire gedicht dat zij schreef over Hawk’s Nest. “Wie spoedt zich door de elektrakabels?” vraagt ze. “Wie spreekt er door alle straten?” De infrastructuur van de moderne wereld is het afgietsel van gesmolten leed.

De streek van Binnen-Mongolië waar de Bayan Obo-mijn zich bevindt, is bezaaid met “dorpen des doods” waar geen gewas meer wil groeien, en waar een Chernobylachtig aantal kankergevallen geconstateerd wordt. Maar deze dorpen des doods bestaan al. Er komen er meer als we niets doen tegen klimaatverandering. Wat maakt het uit dat er een paar dorpjes des doods bestaan als we de halve aarde tot onbewoonbaar gebied weten te maken? Wat maakt de grijze hemel boven Binnen-Mongolië nog uit als het alternatief is om de lucht in eindeloos wit te hullen met zwavelhoudende aerosols, die in de wanhoopsscenario’s van geoengineering als laatste redmiddel dienen? Moralisten, mindere-kwaaddenkers en leunstoelfilosofen zullen wellicht proberen je ervan te overtuigen dat deze situaties terug te brengen zijn tot het ethische gedachtenexperiment dat bekend staat als ‘the trolley car problem’, het tramvraagstuk: doe je niets, dan neemt de tram het spoor waar deze een groot aantal mensen zal raken. Onderneem je actie en verplaats je de wissel naar een ander spoor, dan gaan er minder mensen dood, maar ben jij degene die daarvoor verantwoordelijk is. Als het overleven van miljoenen of zelfs miljarden mensen op het spel staat, wat bij klimaatverandering beslist het geval is, dan lijken een paar dozijn dorpen des doods misschien een redelijk goede deal, een groene deal, een nieuwe deal. Maar klimaatverandering laat zich niet tot een enkel tramprobleem reduceren. Het gaat eerder om een planeetomspannende wirwar van wissels, met op elke losse spoorlijn het risico van massale sterfte.

Het staat bovendien niet vast dat we binnen het gestelde tijdskader genoeg van deze delfstoffen uit de grond kunnen krijgen. Nul-emissies in 2030 zou betekenen dat de mijnen op dit moment al in werking moeten zijn, niet pas over vijf of tien jaar. De wedloop om deze grondstoffen zo snel mogelijk op de markt te brengen wordt waarschijnlijk in meerdere opzichten een lelijke aangelegenheid, met lakse en haastige producenten die hun aandeel van de piekprijzen mee willen pakken, die alle mogelijke bochten afsnijden en mijnen aanleggen die gevaarlijk, ongezond en allesbehalve duurzaam zijn. De aanleg van mijnen vraagt om een massale hoeveelheid investeringen vooraf, en ze bieden in de regel slechts lage rendementen, behalve tijdens een soortgelijke explosie van grondstoffenprijzen als ons te wachten staat wanneer er een beleidspakket als de Green New Deal van kracht wordt. Het kan een decennium of meer duren voordat de bronnen ontwikkeld zijn, en nog een decennium voordat ze eenmaal winstgevend zijn.

Er is een oneindig aantal werelden waarin de GND een mislukking wordt - een miljoen Presidenten Sanders of, met meer gevoel van urgentie, Ocasio-Cortez die toezien op de ramp.

Ook is het niet duidelijk in welke mate de vruchten van deze mijnen ons zullen helpen de economie daadwerkelijk koolstofvrij te maken, als de toename van het energiegebruik gewoon doorgaat. Het simpele gegeven dat de Verenigde Staten een korst van zonnecellen krijgt die geen broeikasgas uitstoot, betekent niet dat haar technologieën koolstofneutraal zullen zijn. Het kost energie om die mineralen uit de grond te halen, energie om ze om te vormen tot batterijen en zonnepanelen en reusachtige rotorbladen voor windmolens, en energie om ze af te voeren als ze versleten zijn. Mijnbouw wordt grotendeels uitgevoerd met voertuigen die gas verbranden voor hun aandrijving. De containerschepen die de wereldzeeën oversteken met de vracht voor hernieuwbare energie, verbranden zoveel dat ze verantwoordelijk zijn voor 3 procent van de planetaire emissies. Voor de meeste bouwmachinerie of voor containerschepen bestaan er überhaupt nog geen elektrische motoren die het stadium van het prototype voorbij zijn. Wat voor gigantische accu zou je nodig hebben om met een containerschip de Stille Oceaan over te steken? Misschien een kleine nucleaire reactor?

Met andere woorden: dat we emissies alleen binnen nationale grenzen bijhouden is hetzelfde als op je calorieën letten maar alleen tijdens het ontbijt en de lunch. Als de grote schoonmaak van de Amerikaanse energieopwekking ervoor zorgt dat andere plekken vuiler en giftiger worden, moet je dat ook in de boeken schrijven. De koolstofoptelsom zal zeker lager uitvallen dan als het niet gebeurt, maar de vermindering zou wel eens een stuk minder indrukwekkend kunnen zijn dan gedacht wordt, vooral als producenten in hun jacht op de hernieuwbare jackpot alles zo goedkoop en snel mogelijk aanpakken, wat momenteel betekent: met fossiele brandstoffen. Aan de andere kant is het saneren van een vervuilde leefomgeving in alle opzichten een extreem kostbare aangelegenheid. Wil je die afvalmeren wegwerken, de schadelijke stoffen diep in de grond begraven, en zorgen dat het grondwater niet met gifstoffen vervuild raakt? Dan heb je waarschijnlijk motoren nodig en zul je waarschijnlijk olie verstoken.

Als samenvatting van wetenschappelijke standpunten biedt het meest recente rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change de voorspelling dat er voor deze toepassingen biobrandstoffen gebruikt zullen worden - voor de bouw, voor de industrie, en voor het transport, in al de situaties waar het moeilijk is om elektrische motoren in te zetten. Bij verbranding van biobrandstoffen komt er koolstof vrij, maar het is koolstof die eerder door groeiende planten werd opgenomen, dus is de netto-uitstoot van deze brandstoffen nul. Het probleem is dat de productie van biobrandstof een claim legt op stukken land waar anders andere gewassen zouden groeien, danwel waar koolstof-vastleggende wildernis kan bestaan. Biobrandstoffen worden gerekend tot de minst intensieve energiebronnen. Om de tank van één enkel intercontinentaal vliegtuig te vullen is al vijf hectare van een typisch biobrandstofgewas nodig. Het vraagstuk van uitstoot is slechts één aspect van een bredere ecologische crisis. De stelselmatige omvorming van land voor menselijke bewoning, weiland en industrie, toepassingen die zich kwistig en op destructieve wijze door de resterende wilde landschappen vertakken, stuurt keer op keer schokgolven door het planten- en dierenrijk. Massale insectensterfte, met populatieafnames die in sommige gebieden tachtig procent van het totaal bedragen, vormt hier één onderdeel van. Van de insectenwereld bestaat nog maar een heel beperkt begrip, maar wetenschappers vermoeden dat deze sterfte en uitsterving slechts gedeeltelijk toe te schrijven zijn aan klimaatverandering, en dat het huidige menselijke landgebruik en de toepassing van pesticides er belangrijke oorzaken van zijn. Van de twee miljard ton aan totale dierlijke biomassa op de planeet bestaat de helft uit insecten. Trek je de steunpilaren van de insectenwereld omver, veroorzaakt dat onmiddellijk de instorting van de andere voedselketens die erop rusten.

Om met hernieuwbare bronnen in het huidige Amerikaanse energiegebruik te voorzien zou minstens 25-50 procent van de Amerikaanse landmassa aan zonnecellen, wind en biobrandstoffen gewijd moeten worden, aldus de schattingen die gemaakt zijn door Vaclav Smil, de nestor van de energiewetenschappen. Is daar ruimte voor als ook het gebied voor menselijke bewoning toeneemt? Daarvoor, én voor de weilanden van een reusachtige vlees- en zuivelindustrie? Daarvoor, én voor het bosland dat we nodig zullen hebben om koolstof uit de atmosfeer opnieuw vast te leggen? Niet als het kapitalisme datgene blijft doen waar het niet zonder kan - groeien. De basale wet van het kapitalisme is de wet van méér - méér energie, méér spullen, méér materialen. Het realiseert schaalvoordelen maar zet die uitsluitend in om de planeet doeltreffender te kunnen plunderen. Voor de klimaatcrisis bestaat daarom geen oplossing die de dwangmatige behoefte aan groei van het kapitalisme intact laat. En dit is precies wat er bij de Green New Deal, een term die bedacht is door de met olie bevlekte neoliberaal Thomas Friedman, niet aan de orde gesteld wordt. Die gaat er vanuit dat je het kapitalisme kunt behouden, groei kunt behouden, maar wel de kwalijke gevolgen ervan teniet kunt doen. De dorpen des doods zijn het teken dat dit niet het geval is - die mogelijkheid bestaat niet. Op die struik zullen geen rozenknoppen verschijnen.

Maar het zullen mijnwerkers in Chili, China en Zambia zijn die de aarde uitgraven voor méér dan alleen de ingrediënten voor vijftig miljoen zonnepanelen en windmolens, aangezien de Green New Deal ook voorstelt om het hele energienet op een efficiëntere manier opnieuw op te zetten, alle gebouwen aan te passen volgens de hoogste actuele milieustandaarden, en ten slotte een koolstofzuinige transportinfrastructuur op te zetten op basis van elektrische voertuigen en hogesnelheidsspoorwegen. Het spreekt voor zich dat dit een monumentale inzet van koolstofintensieve materialen als beton en staal zou omvatten. Miljarden dollars aan grondstoffen zouden naar de Verenigde Staten verscheept moeten worden om daar omgevormd te worden tot spoorlijnen en elektrische auto’s. Scholen en ziekenhuizen eveneens, omdat de GND naast al deze initiatieven ook nog universele gezondheidszorg en gratis onderwijs omvat, om nog niet te spreken van een baangarantie en een ‘leefbaar loon’.

Niets in de politiek is ooit een volkomen nieuw verschijnsel, en om die reden is het evenmin verwonderlijk dat de Green New Deal teruggrijpt naar de jaren 1930 als dat de Franse gilets jaunes het lichaam van de Franse Revolutie weer opgraven en het onder de Arc de Triomphe aan het dansen zetten. Zowel het heden als de toekomst wordt altijd pas begrepen in verband met het verleden. Zoals Marx opmerkt in De Achttiende Brumaire, maken “mensen (...) hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen omstandigheden, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden.” Om nieuwe vormen van klassenstrijd verstaanbaar te maken, wenden de betrokkenen hun blik naar het verleden, “ontlenen ze daar namen aan, leuzen voor het gevecht, kostuums, om het nieuwe bedrijf van de wereldgeschiedenis op te voeren in deze eerbiedwaardige vermomming en met geleende taal.” Het “nieuwe” van de Green New Deal moet zich daarom uitdrukken in een oude taal die associaties oproept met het vervlogen arbeiderisme uit de tijd van onze grootouders en de grafische stijl van de posters van de Works Progress Administration, het New Deal-agentschap voor publieke werken.

Het is wel degelijk mogelijk dat dergelijk gekostumeerd toneelspel een progressieve in plaats van regressieve rol speelt, voor zover het dient om “het nieuwe gevecht glorie te verlenen, en niet een parodie van het verleden op te voeren; de gegeven taak in de verbeelding uit te vergroten, maar niet terug te schrikken voor de werkelijke oplossing ervan; om de geest van revolutie terug te vinden, en niet slechts haar spookgedaante rond te laten paraderen.” Maar tijdens de periode die in de schaduw lag van de revoluties van 1848, toen Marx de bovenstaande woorden schreef, lukte het met de symboliek van de Franse Revolutie alleen om te verstikken wat er revolutionair was aan het moment. De neef van Napoleon Bonaparte, Napoleon III, was een zuivere karikatuur van de bevrijder van Europa. Waar Europa behoefte aan had was een radicale breuk, geen continuïteit:

De sociale revolutie van de negentiende eeuw kan haar poëzie niet uit het verleden putten maar enkel uit de toekomst. Zij kan niet met zichzelf beginnen voordat ze zich ontdaan heeft van al het bijgeloof over het verleden. Eerdere revoluties hadden wereldhistorische herinneringen nodig om hun eigen inhoud te verdoezelen. Maar de revolutie van de negentiende eeuw moet de doden hun doden laten begraven, om zelf tot haar eigen inhoud te kunnen komen. Destijds ging de frase verder dan de inhoud, maar nu gaat de inhoud verder dan de frase.

Het zou goed zijn om deze woorden de komende decennia in gedachten te houden, om te voorkomen dat we terugschrikken voor werkelijke oplossingen en in plaats daarvan hun imaginaire variant opeisen. Het project van de Green New Deal heeft in werkelijkheid geen enkele overeenkomst met de New Deal van de jaren 1930, behalve op een volstrekt oppervlakkige manier. De New Deal was een antwoord op een acute economische noodsituatie, de Grote Depressie, in plaats van een toekomstige klimaatcatastrofe: het primaire doel was het doen terugkeren van groei in een economie die gehalveerd was en waar één op de vier personen werkloos was geraakt. Het doel van de New Deal was zorgen dat het kapitalisme weer ging doen wat het toch al wilde: mensen aan het werk zetten, hun arbeid uitbuiten en hen de producten van hun eigen arbeid verkopen. De staat moest noodzakelijkerwijs de rol van katalysator en bemiddelaar spelen, door de juiste balans te garanderen tussen winsten en lonen, en deed dat grotendeels door de positie van arbeid te verstevigen en die van het bedrijfsleven relatief te verzwakken. Los van het feit dat het bij de huidige uitdaging gaat om veel grotere kapitaalinvesteringen, heeft de Green New Deal een ambitie die veel moeilijker ligt: in plaats van zorgen dat het kapitalisme gaat doen wat het toch al wil, moet er nu gezorgd worden dat het een pad gaat volgen dat op lange termijn voor kapitaalbezitters zonder meer nadelig is.

Terwijl de New Deal alleen de groei hoefde te herstellen, moet de Green New Deal tegelijkertijd groei voortbrengen en zorgen dat emissies teruggeschaald worden. Het probleem is dat groei en emissies, volgens bijna elke maatstaf, een diepgaande correlatie vertonen. Het risico bestaat dus dat de Green New Deal een soort Sisyphus-hervorming wordt, die iedere dag de rots van de emissies de berg oprolt waarna een groeiende, energievretende economie hem na zonsondergang consequent weer naar beneden smijt.

De pleitbezorgers van de groene groei stellen ons een “absolute ontkoppeling” van emissies en groei in het vooruitzicht, een situatie waarbij de opwekking van een extra eenheid energie geen extra CO2 aan de atmosfeer bijdraagt. Zelfs als zoiets in technologisch opzicht mogelijk was, zelfs als het mogelijk was om emissieloze of emissiearme energie voort te brengen die niet alleen in de bestaande vraag kan voorzien maar die overstijgt, dan zou er voor die ontkoppeling nog steeds een veel grotere mate van invloed over het gedrag van kapitalisten nodig zijn dan waar tijdens de New Deal ooit sprake van was.

Franklin Delano Roosevelt en de coalitie in het Amerikaanse Congres die achter hem stond oefende een bescheiden invloed over ondernemingen uit middels een proces van, in de woorden van John Kenneth Galbraith, countervailing power, een compenserend ingrijpen, waardoor het speelveld licht gekanteld werd ten nadele van kapitalisten tegenover werkers en consumenten, en waardoor het doen van nieuwe investeringen aantrekkelijker werd. De staat zelf investeerde ook direct - door het bouwen van wegen, bruggen, elektriciteitscentrales, parken en musea - maar deed dit niet met het doel om private investeringen te verdringen maar om “blijvend een grens te trekken tegen afpersing”, zoals Roosevelt het zelf hoogdravend uitdrukte. Publieke energiecentrales zouden bijvoorbeeld laten zien wat de reële (lagere) prijs van elektriciteit was, en zo energiemonopolies de pas afsnijden.

Voorstanders van de Green New Deal zetten hun uitroeptekens bij dit aspect van de New Deal, omdat het schijnbaar zo dicht nadert aan de inhoud van hun eigen voorstellen. De Tennessee Valley Authority, een publiek stroombedrijf dat tachtig jaar na aanvang nog steeds in bedrijf is, is de bekendste van al deze projecten. Publieke infrastructuur, schone energie, economische ontwikkeling - de TVA bracht veel elementen bijeen die ook voor de Green New Deal essentieel zijn. Door dammen en opwekkingsstations te bouwen langs de loop van de Tennessee-rivier leverde het bedrijf schone, goedkope elektriciteit aan één van de zwaarst door de depressie getroffen delen van de VS. De hydroelektrische centrales stonden op hun beurt in verbinding met fabrieken die nitraten produceerden, een energieintensieve grondstof die zowel dient voor de productie van kunstmest en explosieven. De lonen en agrarische opbrengsten gingen omhoog, en stroomkosten werden tegelijkertijd verlaagd. De TVA bracht dus goedkope energie, goedkope kunstmest en betrouwbare werkgelegenheid naar een streek die eerder bekend stond om de malaria die er heerste, de slechte kwaliteit van de landbouwgrond, inkomens die minder dan de helft van het landelijk gemiddelde bedroegen en een alarmerend hoge werkloosheid.

Het probleem met dit scenario als raamwerk voor de Green New Deal is dat hernieuwbare energie niet opmerkelijk veel goedkoper zal zijn dan energie uit fossiele brandstoffen. De staat heeft het vermogen niet om de route naar goedkope hernieuwbare energie uit te zetten, consumenten met lagere kosten tevreden te stellen en producenten met acceptabele winstmarges mee te krijgen. Velen hebben op enig moment wel gedacht dat de uitputting van olie en kolenreserves onze redding zou zijn, waardoor de prijs van fossiele brandstoffen uit zou stijgen boven die van hernieuwbare bronnen en het omschakelingsproces teruggebracht zou worden tot een simpele economische rekensom. Maar spijtig genoeg is dat messianistische prijspunt steeds verder de toekomst in gedreven, nu nieuwe boortechnieken die de laatste tien jaar geïntroduceerd zijn het mogelijk gemaakt hebben om olie te winnen uit schalielagen in de aardkorst en reserves te putten uit velden die als uitgeput te boek stonden. De prijs van olie is hardnekkig laag gebleven, en de VS heeft zich tot ieders verbazing ineens ontpopt als het land dat er meer van produceert dan enig ander. De doemscenario’s van “peak oil” kunnen nu geschaard worden bij andere curiositeiten van rond de eeuwwending, zoals de millenniumbug en Al Gore. Sorry, verkeerde apocalyps.

Het probleem met de Green New Deal is dat die belooft om alles te veranderen en tegelijkertijd alles bij het oude te laten.

Sommigen zullen zeggen dat hernieuwbare energiebronnen op de vrije markt kunnen concurreren met fossiele brandstoffen. Het klopt dat wind, waterkracht en geothermische energie als energiebronnen goedkoper geworden zijn, en in sommige gevallen goedkoper dan kolen en aardgas. Maar ze zijn nog steeds niet goedkoop genoeg. Dat komt omdat er, om het failliet van de fossiele kapitalisten in te luiden, meer nodig is dan fossiele brandstoffen met een paar cent per kilowatt-uur uit de markt te prijzen. De fossiele energieinfrastructuur belichaamt miljarden dollars aan investeringen en hun eigenaars zullen er steevast voor kiezen om althans een deel van die investeringen terug te verdienen, in plaats van niks. Om de waarde van die activa naar het nulpunt te dwingen en kapitalisten in de energiesector ertoe te brengen in nieuwe fabrieken te investeren, moet hernieuwbare energie niet simpelweg goedkoper zijn maar ontzaglijk veel goedkoper, onmogelijk veel goedkoper. Althans, dat is de conclusie die bereikt werd door een groep ingenieurs die door Google bijeengebracht werd om dit probleem te onderzoeken. De bestaande technologieën zullen nooit goedkoop genoeg worden om het failliet van kolengestookte centrales te bewerkstelligen: wat daarvoor nodig is, verkeert nog in de sfeer van science fiction, zoals koude kernfusie. Dat is niet alleen zo vanwege het probleem van verzonken kosten, maar omdat elektriciteit uit zonne- en windenergie niet naar believen ingeschakeld kan worden. Die is er alleen wanneer en waar de zon schijnt of de wind waait. Als je het wil hebben op aanvraag, dan zul je het moeten opslaan (of duizenden kilometers moeten transporteren) wat onherroepelijk de prijs opdrijft.

Velen zullen zeggen dat het antwoord op dit probleem ligt in het belasten van vuile energie of een regelrecht verbod erop, gepaard aan subsidies voor schone energie. Een koolstoftaks, weloverwogen toegepast, kan het evenwicht verplaatsen richting hernieuwbare energie totdat ze fossiele brandstoffen op eigen kracht kunnen verslaan. Nieuwe fossiele bronnen en infrastructuur kunnen verboden worden en belastinginkomsten kunnen ingezet worden om research naar nieuwe technologieën, efficiency-verbeteringen en consumentensubsidies te bekostigen. Maar op dat moment is er sprake van iets anders dan een New Deal, het effenen van de weg naar een productiever vorm van kapitalisme waar lonen en winsten gelijktijdig kunnen stijgen. Er zijn op de planeet, volgens sommige berekeningen, rond de 1.5 miljard vaten aan bewezen oliereserves - ten waarde van circa 50 miljard dollar, aannemende dat de gemiddelde kosten per vat uitkomen op een heel laag gemiddelde van 35 dollar. Dit is waarde die al deel uitmaakt van de mathematische toekomstprojecties van oliebedrijven. Als het met koolstofbelastingen of verbodsbepalingen lukt om dat getal met een factor tien te doen afnemen, zullen fossiele kapitalisten alles doen wat binnen hun vermogen ligt om ze te omzeilen, ondermijnen, of te zorgen dat de wetgeving in kwestie weer ingetrokken wordt. Wederom is het probleem van verzonken kosten de oorzaak. Als je de waarde van die reserves beleidsmatig op de slachtbank legt, zou het misschien zelfs een contraproductieve keldering van de prijs van fossiele brandstoffen kunnen veroorzaken die méér consumptie en méér emissies aanmoedigt, doordat er bij olieproducenten een wedloop ontstaat om hun overschotten van de hand te doen in landen waar nog geen koolstoftaks van kracht is. Ter indicatie, er bestaat op de wereld ongeveer 300 biljoen aan totale rijkdom, waarvan het merendeel in handen is van de bezittende klasse. Het mondiale bbp, de waarde van alle goederen en diensten die er in een jaar geproduceerd worden, ligt in de buurt van de 80 biljoen. Als je het voorstel doet om 50 biljoen daarvan uit te wissen of af te schrijven, een zesde van alle rijkdom op de planeet en een hoeveelheid die gelijk is aan tweederde van het mondiale bbp, kun je verwachten dat de bezitters van die rijkdom zich tegen je zullen keren met alle middelen waarover ze beschikken, wat dus min of meer neerkomt op alles.

Als een duizend pagina’s tellende roman die op iedere pagina een MacGuffin nodig heeft of een stilistische wandaad begaat, dient de Green New Deal als een uitdaging aan critici. Er zijn simpelweg zoveel redenen waarom het nooit zal werken. Er is een oneindig aantal werelden waarin de GND een mislukking wordt - een miljoen presidenten Sanders of, met meer gevoel van urgentie, Ocasio-Cortez die toezien op de ramp. Er is al een heel essay te schrijven over de politieke onmogelijk ervan, die voortvloeit uit de mate waarin de Amerikaanse staat verzadigd is met bedrijfsbelangen en gekenmerkt door een partijsysteem en machtenscheiding die rechtse krachten zwaar begunstigen. Of een ander essay over hoe, als het politiek al niet onmogelijk was, de investeringen met een orde van grootte van meerdere miljarden dollar per jaar waarschijnlijk de dollar tot zinken zouden brengen, waardoor de kosten nog verder zouden oplopen. Een essay over gevestigde belangen en de oorlogsmachine die ze op zouden tuigen. Een essay over hoe, zelfs als die twee hindernissen overwonnen zouden worden, de geschiedenis van recent monetair beleid - de 4,5 miljard die onder Obama in de economie geïnjecteerd werd, of de 1,5 miljard dollar voor de belastingverlagingen van Trump - aangeeft dat de Green New Deal grote moeite zou hebben om ondernemingen ertoe te brengen om dergelijke middelen in groene infrastructuur te investeren, in plaats van het rechtstreeks in onroerend goed en aandelen te steken, zoals in deze eerdere gevallen gebeurd is.

Het is niet moeilijk om hier het spoor bijster te raken en het essentiële uit het oog te verliezen. In elk van deze scenario’s, op ieder van deze treurige opwarmende planeten lijdt de Green New Deal een nederlaag als gevolg van het kapitalisme. Want in het kapitalisme is er een kleine klasse van eigenaars en managers, die, in concurrentie met zichzelf, zich gedwongen ziet om een reeks kortzichtige beslissingen te nemen over waar te investeren en in wat, en die daarmee de prijzen, lonen en overige fundamentele variabelen van de economie bepaalt. Zelfs als deze eigenaars ons oprecht de verdronken steden en miljarden migranten van het jaar 2070 zouden willen besparen, zouden ze niet over die mogelijkheid beschikken. Ze zouden door anderen uit de markt geprijsd en in het faillissement gedreven worden. Hun handen zijn gebonden en hun keuzes worden ingeperkt door het feit dat ze tegen het geldende tarief moeten verkopen of ten onder gaan. Met andere woorden: beslissingen worden genomen door deze klasse als geheel, als maatschappelijke kracht, in plaats van door haar individuele leden. Dit is ook de reden dat het kapitaal, in zinnen die door Marxisten (en Marx zelf) op papier gezet worden, veelvuldig optreedt als handelende instantie, in plaats van als levenloze materie. De wil tot eindeloze groei en het daaraan gepaarde energiegebruik zijn geen vrijwillige keuzes maar een dwangmatig symptoom, een vereiste voor winstgevendheid in een sociale omgeving waar winstgevendheid zelf een vereiste voor het voortbestaan is.

Als je olie belast, dan zal kapitaal het elders verkopen. Als je de vraag naar grondstoffen opdrijft, drijft kapitaal de grondstofprijzen op en worden materialen met extra spoed en op de meest verspillende, energie-intensieve manier naar de markt gebracht. Als je miljoenen vierkante kilometers nodig hebt voor zonnepanelen, windmolenparken en biobrandstofgewassen, dan drijft kapitaal de prijs op van al dat onroerend goed. Voer je een tarief in op de vereiste importen, en kapitaal vertrekt naar betere markten. Probeer je een maximumprijs in te stellen die geen winstmarge toestaat, en kapitaal staakt simpelweg elke investering. Hak één van de hoofden van de veelkoppige hydra af, en een andere doemt op. Als je in de VS miljarden dollars investeert in infrastructuur, dan heb je te maken met de onvoorstelbaar spilzuchtige, trage en onproductieve bouwsector, waar het leggen van een paar kilometer metrolijn twintig keer zo duur kan uitvallen en vier keer zo lang duurt als geraamd. Je staat tegenover de uit de aarde getrokken monsters Bechtel en Fluor Corp., die gewend zijn uit de overheidstrog te eten en schroeven van vijftig dollar per stuk te factureren. Als dat nog niet ontnuchterend genoeg is, overweeg dan de wereldhistorische inefficiency van het Amerikaanse leger, de grootste olieverbruiker ter wereld, en niet toevallig ook de grootste politieagent van de olieproducerende wereld. Qua financiële verslaglegging vormt het Pentagon een zwart gat, dat dag na dag de rijkdom van de natie opslurpt maar waar geen licht uit weet te ontsnappen. Waar normaal gesproken een financiële balans zou staan, tref je een lege pagina.

Ik vermoed dat veel pleitbezorgers van de Green New Deal dit allemaal wel beseffen. Ze denken niet echt dat het allemaal volgens de belofte zal verlopen, en weten dat, als het wel zo uitgevoerd wordt, het niet het bedoelde resultaat oplevert. Dat is waarschijnlijk de reden dat er zo weinig concreet detail geboden wordt. De discussie gaat tot nu toe grotendeels over het vraagstuk van de begroting, met voorstanders van Modern Monetary Theory (MMT) die uitleggen dat er voor een land als de VS geen bovengrens bestaat voor de overheidsuitgaven, en linkse aanhangers van een tax-and-spend-benadering die terugvuren met allerlei alternatieve scenario’s. In technisch opzicht hebben de MMT-pleitbezorgers gelijk, maar ze houden geen rekening met de macht die bezitters van de Amerikaanse schulden hebben over de waarde van de dollar, en in het verlengde daarvan over prijzen en winsten. Ondertussen beperken de critici van de Green New Deal hun commentaar tot de aspecten die nog het minst problematisch zijn. Begrijp me niet verkeerd, begrotingsonderdelen met de orde van grootte van miljarden dollars zijn een big deal. Maar zorgen dat de verpakking niet lekt is niet het grootste probleem. Waar het plan werkelijk sneuvelt is in de implementatie, en het lijkt erop dat maar weinig voorstanders over dat soort details veel te melden hebben.

De Green New Deal doet het voorstel om het overgrote deel van de economie binnen tien jaar koolstofvrij te maken - fantastisch, maar niemand stelt aan de orde hoe dit werkelijkheid wordt. Dit komt doordat voor velen het belang van de Green New Deal in de eerste plaats retorisch is; het gaat om het verschuiven van de discussie, het vergaren van politieke wil, en het onderstrepen van de urgentie van de klimaatcrisis. Het is meer big mood dan groots plan. Menig socialist zal erkennen dat het inperken van klimaatverandering een onmogelijkheid is binnen een op winst gericht productiesysteem, maar ze denken dat een project als de Green New Deal neerkomt op wat Leon Trotski een “overgangsprogramma” noemde, dat berust op een “overgangseis”. Anders dan minimale eisen, die het kapitalisme zonder problemen kan inwilligen, en maximale eisen, waar het overduidelijk niet aan tegemoet kan komen, wordt de inhoud van overgangseisen gevormd door dingen die het kapitalisme in potentie zou kunnen waarmaken als het een rationeel en humaan systeem was, maar die uiteindelijk toch geen haalbare kaart zijn. Door hun agitatie te richten op dergelijke overgangseisen, proberen socialisten het kapitalisme te onthullen als een bijzonder verkwistende en destructieve manier om de menselijke activiteit af te stemmen, en als iets dat zelfs zijn eigen beloftes niet weet waar te maken, en dat, zoals in onze situatie, verantwoordelijk is voor een onvoorstelbaar aantal sterfgevallen in de toekomst. Als het eenmaal op die manier ontmaskerd is, kan er veilig aangevangen worden met de afschaffing ervan. Tegenover het verzet van de kapitalistische klasse en een ingegraven overheidsbureaucratie kunnen de mensen die hun posities aan de Green New Deal te danken hebben er dan met publieke steun toe overgaan om de kapitalistische klasse te onteigenen en de overheid op socialistische wijze te reorganiseren. Althans, dat is het verhaal.

Zelf heb ik het concept van het overgangsprogramma altijd een kwalijk iets gevonden. Ten eerste beschouw ik het als een neerbuigend idee, omdat het aanneemt dat “de massa’s” het ene te horen moeten krijgen om ze, vervolgens, van iets anders te kunnen overtuigen. Daarnaast denk ik dat het bovendien gevaarlijk is, en de potentie in zich draagt om ernstig averechts uit te pakken. Het is inderdaad een feit dat revoluties vaak beginnen waar hervormingen stranden. Maar het probleem is dat de overgangseis ertoe aanmoedigt om instituties te bouwen en organisaties op te zetten rond een stel doelen met de hoop dat je ze op een zeker moment binnen korte tijd voor andere doelen kunt gebruiken wanneer het moment gekomen is. Maar instituties zijn uitermate inerte structuren. Als je een partij en aanverwante instellingen opbouwt rond het idee om klimaatverandering binnen het kapitalisme op te lossen, moet je niet verbaasd opkijken als een aanzienlijk gedeelte van die partij zich vervolgens zal verzetten tegen pogingen om er een revolutionair middel van te maken. De geschiedenis van socialistische en communistische partijen biedt genoeg aanleiding voor behoedzaamheid. Zelfs nadat de partijen van de Tweede Internationale hun leden verraden hadden, door ze tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen elkaar het slagveld op te sturen, en zelfs nadat grote delen zich na het startsschot van de Russische Revolutie afsplitsten om onafhankelijke revolutionaire organisaties te vormen, bleven velen deze partijen toch steunen, uit gewoonte en omdat eromheen een dicht netwerk van culturele en sociale structuren ontstaan was waar ze op duizend-en-één manieren mee verknoopt waren. Uitkijken dus, dat je bij het nastreven van het overgangsprogramma niet de rangen van je toekomstige vijand doet aanzwellen.

Laten we in plaats daarvan uitspreken wat aantoonbaar het geval is. Het pad richting klimaatstabilisatie onder de twee graden Celsius die door de Green New Deal geboden wordt, is een illusie. In feite zijn de enige oplossingen die binnen het kader van het kapitalisme mogelijk zijn weerzinwekkende en riskante vormen van geo-engineering, die de oceaan of de lucht chemisch vergiftigen teneinde koolstof te absorberen of het zonlicht te blokkeren, om het kapitalisme en haar gastlichaam, de mensheid, te behouden ten koste van de hemel (nu zonder weer) of de oceaan (nu zonder leven). Anders dan emissiereductie vergen dergelijke projecten geen internationale samenwerking. Ieder willekeurig land kan in principe vandaag al beginnen met geo-engineering. Wat weerhoudt China of de VS ervan om zwaveldeeltjes in de atmosfeer te dumpen, als het heet genoeg wordt en de omstandigheden verslechteren?

Het probleem met de Green New Deal is dat die tegelijkertijd belooft om alles te veranderen en ondertussen alles bij het oude te laten. De Green New Deal is een belofte om de energetische basis van de moderne maatschappij te verwisselen alsof het om een autoaccu ging. Je kunt nog steeds iedere twee jaar een nieuwe iPhone kopen, maar nu blijft de emissieteller netjes op nul. De wereld van de Green New Deal is precies dezelfde wereld maar dan beter - precies dezelfde wereld, maar mét nul emissies, universele gezondheidszorg en gratis onderwijs. Dat klinkt zonder meer aantrekkelijk, maar het is een onmogelijke combinatie. We kunnen niet blijven in deze wereld. Om te zorgen dat de ecologische niche behouden blijft waarin wij en ons cohort aan andere soorten de afgelopen elfduizend jaar geleefd hebben, zullen we de maatschappij volledig moeten reorganiseren, en op grote schaal verandering aanbrengen in waar we leven, hoe we leven en bovenal waaróm we leven. Gegeven de huidige technologie is het niet mogelijk om door te gaan met per persoon steeds méér energie, méér landgebruik en méér van al het andere te gebruiken. Dit hoeft niet in te houden dat we een grijze wereld van grimmige zuinigte in gaan, maar dat is wel waar we op afstevenen als ongelijkheid en onteigening de regel blijven. Een geëmancipeerde maatschappij, waarin niemand iemand anders werk kan opleggen omwille van eigendom, zou vreugde, betekenis, vrijheid, bevrediging en zelfs een vorm van overvloed kunnen bieden. Het is zonder meer mogelijk voldoende te hebben van de dingen die van belang zijn - en om zo energie en andere hulpbronnen te sparen voor het garanderen van voedsel, onderdak en medische voorzieningen. Ieder die bereid is een halve minuut lang echt rond te kijken, kan zien dat minstens de helft van alles dat ons momenteel omringt een vorm van nodeloze verkwisting is. Los van onze fundamentele behoeften is de belangrijkste vorm van overvloed een overvloed aan tijd, en tijd is, gelukkig, koolstofneutraal en mogelijk zelfs koolstofnegatief. Als revolutionairen in maatschappijen die slechts een kwart gebruikten van het hedendaagse energieverbruik in staat waren te denken dat het communisme binnen handbereik lag, dan is het volstrekt onnodig om onszelf vast te spijkeren aan de macabere gevolgen van de eindeloze groeidwang. Een maatschappij waarin iedereen vrij is om onderwijs te volgen, te reizen en spel, sport, vermaak en kameraadschap na te streven; dat is de vorm van overvloed die werkelijk waardevol is.

Misschien is het inderdaad zo dat radicale emissiereducerende of emissievrije technologieën op het punt staan om ontdekt te worden. Je zou dwaas zijn om die mogelijkheid uit te sluiten. Maar om exact dezelfde reden is wachten tot de bliksem inslaat geen serieuze politiek te noemen. Er zijn bijna zeventig jaar verstreken sinds de laatste paradigma-verschuivende technologieën ontdekt werden - transistoren, kernenergie en genetica dateren allemaal uit het midden van de twintigste eeuw. Ondanks een zeker perspectivisch gezichtsbedrog en de eindeloze stroom apps is het tempo van de technologische verandering eerder vertraagd dan versneld. En ook als het voor het kapitalisme ineens betaalbaar zou worden om de voortschrijdende klimaatverandering toch tot het minimum te beperken, zouden we weer aanbelanden bij één van de andere tien redenen om het als maatschappelijk model eindelijk bij het vuil te zetten.

Het is niet mogelijk om alles hetzelfde te houden en alles te veranderen. Wat we nodig hebben is een revolutie, een breuk met kapitaal en haar dodelijke dwangmatigheid, maar hoe zoiets er in de eenentwintigste eeuw uit zal zien is beslist een open vraag. Een revolutie die het opbloeien van het menselijke leven tot doel heeft, zou zeker een onmiddelijke decarbonisatie omvatten, een snelle vermindering van het energiegebruik voor de bewoners van het geïndustrialiseerde mondiale Noorden, geen cement meer, heel weinig staal, vrijwel geen vliegverkeer, een leefomgeving die te voet begaanbaar is, passieve methoden om te koelen en verwarmen, een alomvattende transformatie van landbouwactiviteiten en een vermindering met een orde van grootte van de veehouderij. Al het bovenstaande valt volstrekt binnen onze mogelijkheden, maar niet als we doorgaan de helft van alle rijkdom die er op de planeet geproduceerd wordt in de muil van kapitaal te schoffelen, niet als we een bepaald deel van iedere generatie opofferen door ze de mijnen in te sturen, niet als we doorgaan degenen die alleen winst nastreven te laten bepalen hoe we zullen leven.

Vooralsnog is er geen revolutie in zicht. We zitten klem tussen twee kwaden, de duivel en de green new deal, en ik verwijt niemand dat ze zich liever wijden aan tastbare hoop dan aan diffuse maar alomtegenwoordige wanhoop. Misschien dat sleutelen aan hervormingswetgeving het verschil maakt tussen het ondenkbare en dat wat slechts onverdraaglijk is. Maar laten we niet tegen elkaar liegen.

Oorspronkelijk gepubliceerd op Commune: Between the Devil and the Green New Deal (25 april 2019)

Hier gepubliceerd op 19 juni 2021 / Nederlandse vertaling door Thijs Vissia
Abstracte Aarde maakt gebruik van CouchCMS